Kamerplanten


Planten in de woning brengen nog altijd een meerwaarde. Ze leveren gezonde lucht af en groen heeft altijd een vorm van rust in ons drukke leven. Vandaar dat ik dit jaar enkele kamerplanten onder de loep zal nemen.


Oktober 2018

Muehlenbeckia complexa

muehlenbeckia

Muehlenbeckia behoort tot de familie van de duizendknoop-achtigen (Polygonaceae). De naam van die familie is gebasseerd op het feit dat de meeste geslachten voorzien zijn van duidelijk gelede stengels. De geledingen zijn duidelijk gescheiden door verdikkingen, de zogenaamde knopen. Bekende geslachten in de duizendknoopfamilie zijn de rabarber, zuring en boekweit. Muehlenbeckia, waarvan 15 soorten, is inheems allemaal in het zuidelijk halfrond. Meer bepaald Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland, Australie en Nieuw-Guinea. De naam is afgeleid naar de naam van de Zwitserse botanicus H.G. Muhlenbeck die deze plant ontdekte en meebracht naar Europa. De meeste Muehlenbeckia-soorten zijn klimmende of kruipende planten. De bladeren zijn verspreid op de stengels. Sommige soorten hebben zelfs geen bladeren. Deze zijn dan ook niet interessant voor de cultuur. De bloemetjes zijn van weinig of geen waarde. De meeste gekweekte Muehlenbeckia is de Muehlenbeckia complexa. Deze komt oorspronkelijk uit Nieuw-Zeeland. Deze plant is in ons land niet winterhard. De stengels zijn slap en draadachtig. Deze zijn roodachtig en gegroef. Op jonge leeftijd zijn ze ook behaard. De blaadjes zijn rond, hartvormig. De mannelijke en vrouwelijke bloemen staan op verschillende planten. De weinig opvallende bloemen zijn groen-wit van kleur. In de zomer kan ze worden buiten gezet. Het liefst staat ze dan in de volle zon. In zachte winters op een droge warme plaats kan ze de winter doorstaan. De plant verliest dan al haar blad om dan in het voorjaar terug te groeien. Plaatst men deze in een koude kas of licht verwarmde veranda dan houdt ze ook nog haar blad. Muehlenbeckia die op de juiste plaats staat kan weelderig groeien en als hangplant in een korte tijd lange stengels maken of als bodembedekking in een mum van tijd een hele partij bedekken. Ze zou ook kleinere struiken of planten overgroeien.

muehlenbeckia

September 2018

Pilea peperomioides (Pannekoekenplant)

pilea pilea

Pilea behoort tot de familie van de brandnetelachtigen (Utricaceae). Net zoals de vele gewassen in deze familie vallen ook vele soorten van dit geslacht op door hun blad. Vele Pilea soorten zijn inheems in tropische en subtropische gebieden. Vooral in Midden-Amerika en het zuid oosten van Azie. De naam is afgeleid van pileus. Dit betekent hoedje en verwijst naar de vorm van een van des segmenten van de bloemdekbladeren. De pannekoekenplant is inheems in Zuid China. In de jaren 70 was ze zeer hip in onze huiskamers. Alleen kwekerijen uit Scandinavie kweekten deze planten. Daarna is dit kamerplantje uit het oog verloren. Sederte 2017 is ze terug in en hip. Het is een niet winterharde vaste plant met ronde schildvormige bladeren. Deze zijn glanzend, donkergroen, leerachtig en vlezig. De plant verdraagt geen volle zon maar staat graag op een plaats waar veel licht is. Natte voeten verdraagt ze niet. Een goede doorlatende grond verdraagt ze best met een regelmatige watergift. Oudere planten worden minder mooi. Men kan bemakkelijk de plant vermenigvuldigen door stek. Het stekje steekt men best eerst in water totdat er worteltjes aankomen. Daarna plant men deze best in een zaai- stekpotgrond waarin ze verder wortelt. Na een goede doorworteling plant men de plant over in een normale potgrond.

pilea

Augustus 2018

Ficus benjamina (Treurvijg, waringinboom)

treurvijg treurvijg

De Ficus maakt deel uit van de moerbeiboomachtigen (Moraceae). Dit is een zeer grote familie met zeker wel 800 tropische en subtropische soorten. Ze zijn zeer divers van groei en bloei, maar bijna allemaal hebben ze melksap die al dan niet giftig kan zijn. Sommige geven ook eetbare vruchten, denken we maar aan de vijgeboom (Ficus carica). Ficussoorten kan men vinden in de landen rond de Middelandse Zee, maar ook in India, Afrika en tropisch Azie vinden we ficussoorten. Uit die grote familie nemen we de welgekende Ficus benjamina. Deze is inheems in Indie, Birma en de Fillipijnen. De treurvijg wordt hier veelal gekocht als kamerplant of aangebracht in grote samengestelde bakken in openbare ruimten. Het is een wintergroene struik die graag op een lichte plaats staat maar niet in de felle zon. Temperatuursverschillen kan deze plant niet goed verdragen en kan daardoor in een korte tijd veel bladeren verliezen. Ook geven van koud water kan al bladafval stimuleren. In de lente als er nieuwe bladeren aankomen, verliest de plant veel oud blad, hetgeen dan normaal is. Uit deze soort zijn er vele varieteiten uit ontstaan die matte, glanzende, witgevlekte, geelgevlekte en gekrulde bladeren kunnen hebben. De gewone soort kan groeien tot aan het plafond. Maar er bestaan ook dwergvarieteiten en traaggroeiende varieteiten. De ficus staat in de winterperiode graag in een ruimte waarvan de tempertuur niet teveel schommelt en kan de plant tamelijk droog staan. Alleen de luchtvochtigheid moet voldoende zijn om spint te voorkomen. in de zomer mag de watergift worden verhoogd (geen koud water geven). In de zomer als het regent en het is voldoende warm mag de plant zeker eens buiten worden geplaatst. Of regelmatig de bladeren bespuiten is ook bevorderlijk voor de gezondheid van de plant. Sommige varieteiten kunnen zeer hoog en breed groeien. Deze snoeien heeft geen enkel probleem en zal de compactheid van de plant bevorderen. Het beste snoeit men dan in de lente. Krantenpapier op de grond leggen is geen luxe. Want tijdens het snoeien en een tijdje daarna kan de plant veel melksap verliezen. Indien men de plant drastisch wil terugsnoeien is het ook aan te raden de wortelkluit te verkleinen en best dan ook nieuwe grond te geven. De treurvijg is tevreden met een standaardpotgrond. In de zomer om de 14 dagen voeding aan toevoegen is aan te raden. Vermenigvuldigen gebeurt door kopstekken. Dit is niet zo een eenvoudige klus. De stekken dienen geplant te worden in een vochtige omgeving om zo bladuitdroging te voorkomen. Men dient zich ook te beschermen tegen de melksappen die vrijkomen bij het snijden van de stekken. Handschoenen aandoen is dan hier ook de boodschap.


Juli 2018

Zamioculcas zamiifolia (zamioculcas)

zamioculcas zamioculcas

Zamioculcas behoort tot de familie van de aaronskelk-achtigen (Araceae). 90% van deze familie zijn tropische planten. Uit deze familie komen er planten voor met diverse bladvormen, groeivormen, sommige groeien in vochtige gebieden terwijl andere dan terug zeer droog kunnen staan. De bloemen zijn in het algemeen opvallend door de gekleurde bloemschede die de bloeikolf geheel of gedeeltelijk omsluit. Meestal zitten de groene mannelijke bloemetjes bovenaan de kolf, terwijl de vrouwelijke aan de basis zitten. De Zamioculcas zamiifolia komt uit het tropisch Oost-Afrika. Deze plant heeft een vlezige, dikke wortelstok en een bladsteel van ongeveer 40-60 cm lang. Deze is aan de basis knotsvormig gezwollen. Het ongelijkmatig geveerd blad bestaat uit zes tot acht afwisselend geplaatste deelblaadjes. Deze zijn leerachtig dik, donkergroen en glanzend. Soms worden ze al in een hun jeugdstadiom afgestoten en vallen op de bodem. Indien deze vochtig genoeg is komt er aan het deelblaadje een knolletje waaraan wortels uitgroeien. Zo komt er een nieuw plantje tot stand. Tussen de bladstelen komt er een bloeivorm die eigenlijk niet opvalt. Zamioculcas groeit het liefst in een vochthoudende potgrond. Bij droogte vallen de deelblaadjes af en blijft alleen de bladstengel over. Deze plant kan groeien op een warme, schaduwrijke plaats. De vermeerdering van de plant is zoals eerder vermeld via de deelblaadjes die worden gestekt op de grond waaruit een nieuwe plant uit voorkomt.


Juni 2018

Tradescantia zebrina (vaderplant)

fittonia

De tradescania behoort tot de familie van de tradescantia-achtigen (Commelinaceae). Oorspronkelijk komt dit geslacht uit Noord- en Zuid Amerika. De wetenschappelijke naam is ontleent aan de naam van de vader en zoon John Tradescant die uit Vlaanderen afkomstig zijn. Ze waren beiden hovenier en waren werkzaam aan het Engels hof van Karel II. De vader reisde veel rond en verzamelde veel planten. De zoon breidde deze nog uit. Op hun reis naar Noord-Amerika omstreeks 1600 namen ze de toen nog onbekende plant Tradescantia mee. Deze werd al snel gegeerd als tuinplant, bij ons gekend als ééndagsbloem. Later ontdekten ze van dit geslacht in Zuid-Amerika de tropische soorten. Waaronder ook de vaderplant. Deze snelgroeiende plant is verboden in Zuid-Afrika en de Galapagoseilanden. In Engeland heet de plant de wandering jew (wandelende jood). Deze plant werd door stekken tussen de bewoners verspreid en legde op die manier een hele wereldreis. Dit deed men denken aan de Joden in de Bijbel die grote omzwervingen maakten naar hun beloofde land. Ook wordt deze wel eens de inchplant genaamd. Dit komt omdat ze in ideale omstandigheden dagelijks 2,5 cm kan aangroeien. De vaderplant is zeer decoratief en heeft gestreepte bladeren. Ze kan ofwel als kruipende of als hangplant worden gebruikt. Op warme dagen kan de plant tamelijk water verdragen. Op koudere dagen opletten van niet te veel water te geven. De vaderplant kan niet tegen natte voeten en zou zo wortelrot kunnen ontstaan. De luchtvochtigheid mag wel hoog zijn. In een te droge omgeving kunnen de bladeren bruine toppen vertonene. Deze plant kan zowel in de zon als schaduw groeien. In de zon zullen de bladeren wel decoratiever zijn. De vaderplant is een gemakkelijk te kweken kamerplant. Als hij goed in zijn blad voelt dan heeft hij ook nog bloemetjes die roze, paars of wit kunnen zijn. Ook de vaderplant houdt van lauw water, maar dit zo bij alle kamerplanten. Deze plant houdt van een warme omgeving en 10°C is het minimum dat hij kan verdragen. Vermenigvuldigen gaat zeer gemakkelijk. Neem enkele kopstekken en in een korte tijd heb je een volwaardige nieuwe plant in Uw bezit.

fittonia fittonia

Mei 2018

Fittonia (Mozaiekplant)

fittonia

De mozaiekplant behoort tot de familie van de acanthusachtigen (Acanthaceae). Dit geslacht bestaat uit twee soorten. Door de kruisingen is er een grote keuze aan cultuurvarieteiten ontstaan met afwijkende bladtekeningen en kleuren. De naam is genoemd naar de schrijfsters Elisabeth en Sarah May Fitton. Ze leefden tot begin de 19e eeuw en waren de auteurs van het boek Conversations on Botany. Dit boek heeft veel bijgedragen tot de popularisering van de plantkunde. Fittonia is inheems in de bossen van Colombia, Ecuador, Peru en Bolivia. Het is een laagblijvende of kruipende plant. De stengels zijn behaard en de bladeren zijn breed en gaafrandig. De plant wordt gekocht voor haar bladkleuren. Deze zijn mooi getekend door opvallende, gekleurde nerfpatronen. De Fittonia gigantea groeit vrij rechtstandig en wordt 45 cm hoog. De stengels zijn paarsrood en bezet met witte beharing. De bladeren lopen enigszins spits toe en de nerven zijn karmijnrood. De Fittonia verschaffeltii is beter bekend in de handel. Deze groeit zeer laag en heeft kruipende behaarde stengels. Daaruit zijn er veel cultuurvarieteiten ontstaan met tal van verscheidene blad- en nerfkleuren. De nederlandse naam mozaiekplant is dan ook afgeleid door het ingewikkelde tekeningenpatroon van de bladeren. Daar de fittonia een tropische bodembedekker is in bossen groeit deze het liefst in een donkere vochtige omgeving. Het mag zeker niet te koud zijn en men giet liefst lauw water aan de plant. Fittonia is gevoelig voor schildluis en is erg gegeerd door slakken. De mozaiekplant word vermenigvuldigd door stekken. Dit gebeurt het best in het voorjaar. De jonge stekken zullen pas wortelen als de bodemwarmte op peil is en de omgeving voldoende vochtig is.

fittonia

April 2018

Dracaena (drakenbloedboom)

draecaena

Dracaena behoort tot de familie van de agaveachtigen (Agavaceae). Het geslacht dat ongeveer een 150 soorten telt zijn inheems in de tropische delen van Afrika, Azie en op de eilandengordel tussen Azie en Australie. Intussen is het verspreidingsgebied veel groter geworden en groeien er nu ook enkele soorten op de Nederlandse Antillen. De naam komt van het Griekse woord drakaina dat draak betekent. Dit is omdat er uit de stam roodgekleurde, harsachtige sap kan stromen. Dit sap deed de inheemse volkeren denken aan drakebloed. Deze harsachtige substantie werd later bereid in rode verfstof die gebruikt werd door oude meesters zoals Rembrandt. De Dracaena is wintergroen en groeien uit tot zeer grote struiken of bomen. Zo was er een een excemplaar die tot 21 m hoog groeide en een stamomtrek had van 14 m. In 1868 woede er een hevige storm op de Canarische Eiland Tenerife en werd deze reus uit de grond gerukt en ontworteld. Bij ons in de huiskamer zal deze niet zo’n afmetingen krijgen. Doch deze planten genieten een hoge populariteit in onze huiskamers. 100 jaar terug was de dracaena al gekend in Europa als huiskamerplant. Bij ons wordt voornamelijk Dracaena deremensis gebruikt als potplant. Daaruit zijn er een groot aantal cultuurvarieteiten onststaan. Ook de forsere Dracaena fragrans komt zeer veel voor als potplant. Deze groeit eerder op een ruigere stam. Ook hier zijn er vele cultuurvarieteiten uit ontstaan. De Dracaene marginata is dan terug kleiner en heeft een dunner stam. Deze soort is een zeer sterke kamerplant. Groeit ze te hoog of te ijl. Snoeit dan de top af en ze groeit terug met diverse vertakkingen. De Dracaena sanderiana doet dan eerder denken aan een bamboeachtige plant. De drakebloedboom groeit het liefst op een warme lichte plaats. De plant overleeft ook donkerder plaatsen. Bonte soorten worden dan groen. Deze planten heeft men beter zeer goed water totdat de grond goed is verzadigd. Daarna laat men de grond volledig uitdrogen vooraleer men dan terug veel water heeft. Om de dracaena een lange leefperiode te geven dient men ze ieder jaar een rustperiode te geven. Zet ze in de winter in een ruimte die min. 7 °C en max. 13°C is. Na die periode verpot men de planten en zo krijgen ze terug een nieuwe groeiperiode. Een zeldzame keer kan ze bloeien. De bloemen ruiken zeer lekker. De bloeiwijze zelf is niet spectaculair te noemen. De bloemen bestaan uit losse schermen of trossen. De kleur is groen- of roomwit. Na de bloei komen er dan rode bessen die één tot drie zaden bevatten. Het vermeerderen door stekken. Bij de Dracaena marginata en deremensis zijn het best topstekken, maar bij de Dracaena surculosa is het best zijstekken te gebruiken.


Maart 2018

Pachira aquatica en Pachira insignis (pachira)

pachira pachira

Pachira behoort tot de familie van de bombaxachtigen (Bombacaceae). Ze komen allemaal uit de tropische streken die voornamelijk in Amerika zijn gelegen. Een bekende vertegenwoordiger is het geslacht Ceiba. De vruchten van dit geslacht zijn leerachtig en omgeven door een dikke laag wolachtige vezels. Deze zijn meer bekend onder de naam kapok. De twee soorten pachira zijn beide inheems in de tropische gebieden van Amerika. Deze bomen kunnen tot 20 m hoog groeien. De grote handvormige samengestelde bladeren zijn opgebouwd uit vijf of negen kleinere bladeren met een gegolfde of omgebogen rand. De grote, alleenstaande bloemen bevinden zich op het einde van de zijtakken.

Pachira aquatica

Deze komt voor in Zuid-Mexico tot Brazilie en Peru. In de natuur kan ze tot 20 m hoog groeien en heeft deze boom een brede kruin. De 20-25 cm lang bloemen hebben paarse of roze kroonbladeren. De ovale vruchten zijn 10-30 cm lang en bevatten 1 cm grote zaden. Deze soort groeit het liefst in vochtige bodems en worden meestal ook teruggevonden aan rivieren en moerasgebieden.

Pachira insignis

In tegenstelling tot de aquatica groeit deze pachira het liefst in drogere gronden. Ze komt van nature uit Brazilie. Deze boom kan tot 30 m hoog groeien en heeft leerachtige bladeren. De bloemen kunnen tot 30 cm lang worden en zijn welriekend. De kroonbladeren zijn lichtroze of paars. De daaruit komende vruchten zijn eetbaar.

pachira

Bij ons wordt de Pachira aquatica het meest geimporteerd om als kamerplant te gebruiken. Dit zijn meestal oude zaailingen die men invoert. Meestal staan de plant op een stam of op een gevlochten stam. Daarop staan er bladeren die mettertijd hoog kunnen opgroeien. Deze kunnen gemakkelijk terug worden gesnoeid zonder erg voor de plant. De plant staat graag op een lichte standplaats en matig vochtig. Regelmatig bijmesten zorgt voor een mooie en gezonde plant. Bij een te kleine pot kan men deze verplanten in het voorjaar in een goede potgrond voor kamerplanten.


Februari 2018

Yucca elephantipes (palmlelie)

palmlelie palmlelie

Yucca behoort tot de familie van de agave-achtigen (Agavaceae). Deze planten zijn oorspronkelijk afkomstig uit het zuiden van de Verenigde Staten en Midden Amerika. De geslachtsnaam is door de indianen van het Caribisch gebied gegeven. Oorspronkelijk cassaveplant (Manihot esculenta) genaamd. Yucca soorten varieren in vorm van stamloze bodemrozetten tot heesters en hoge bomen. De bladeren zijn veelal zeer stevig, taai en hebben een vorm zoals een zwaard tot lijnvormig. De randen zijn meestal voorzien van losse, draadachtige vezels. Vroeger gebruikten de plaatselijk volkeren de bladeren als veevoer. Ook werd er touw en papier van gemaakt. De witte bloemen verschijnen in pluimen of grote trossen.’s Nachts geven ze een aangename, zoete geur af. In de streek zelf waar de Yucca natuurlijk groeit komt er een witte mot (Pronuba yucasella) er op af en bestuift zo de bloemen. De mot maakt kleine bolletjes met het stuifmeel en legt daarin haar eieren bij het vruchtbegindsel van de bloem. De larven gebruiken dan de ontwikkelde zaden als voedsel. Deze mot komt alleen maar voor in de natuurlijke omgeving van de Yucca. De yucca die we hier als kamerplant kennen heeft de namen Yucca elephantipes (syn. Yucca gigantea, Yucca guatemalensis). Van nature komt ze voor in Costa Rico, Honduras en Guatemala. Deze plant groeit als een grote heester tot wel 8 m hoog. Deze heeft zwaardvormige bladeren die tot 100 cm lang kunnen worden. De bovenste staan opgaand, de onderste bladeren hangen eerder af. De planten kunnen in de zomer ook buiten gedijen en dienen regelmatig bedient te worden met water. In de winter dienen ze vorstvrij te staan en kunnen een droger periode aan. In de woning gedijt ze het best op een plaats waar er voldoende licht binnenvalt. Regelmatig de bladeren bevochtigen en de bodem voldoende vochtig houden voorkomt ziekten op de plant. Vermeerderen van de plant gebeurt meestal door stengelstukken die na ongeveer 4 maand al kunnen geleverd worden als een bewortelde plant. Zij uitlopers die aan de voet van de plant uitgroeien kunnen worden afgesneden. Wanneer het snijvlak voldoende is gedroogd kan men deze planten in een gelijklopend mengsel van turfstrooisel, boomschors en zand.


Januari 2018

Chlorophytum comosum (graslelie)

graslelie graslelie

Chlorophytum behoort tot de familie van de lelieachtigen (Liliaceae). De 215 verschillende soorten komen vooral voor in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Madagascar, India, Australie en Tasmanie. De geslachtsnaam is afgeleid van de Griekse woorden chloros (geelgroen) en phuton (plant), geelgroene plant. Dit is dan ook het kenmerk van dit geslacht. Krijgen de planten veel water zal het langwerpig blad groener kleuren. Komen ze in een drogere periode dan gaat het groen over in een veel lichter groen of zelfs tot geelwit. De graslelie is ook in staat om een langere droogteperiode door te staan. Ze bufferen het water en voedsel in dikke, lange wortelknollen. De soort die we best kennen is de Chlorophytum comosum. Het is een zeer sterke kamerplant die geelgroene lange bladeren heeft. Het best zet men deze op een verhoogde plaats of hangt men de plant aan het plafond. De plant kan op een zeer donkere plaats groeien maar zal dan niet zo mooi ogen. Ook de bloemen zullen het laten afweten. Op een plaats waar er licht komt zullen er regelmatig bloemstengels worden ontwikkeld met daaraan witte bloemetjes. De gele stuifmeelklompjes steken goed zichtbaar uit de bloemen. Is zo’n bloemstengel volledig uitgebloeid dan verschijnen jonge plantjes op de bloemstengel. In het plantenrijk komt deze vorm van vermenigvuldiging vaker voor. Deze vorm heet viviparie, levendbarend. De jonge plantjes kunnen van de moederplant worden gescheiden en in aarde worden geplant. Deze groeien dan als zelfstandige planten verder. Graslelie is een zeer gemakkelijke kamerplant die voor mensen die denken geen kamerplanten kunnen houden zeker de moeite waard is om deze eens te proberen. Veel of weinig water, voedsel of geen voedsel, de plant past zich aan kan zeer lang extreme omstandigheden doorstaan.


De Vrijboom © 2018